Bloedbad te Hertoginnedal

Nick Cave - Murder ballads
 
Niets zo zalig als bij dit heerlijke herfstweer te zitten luisteren naar Nick Cave. Zijn cd ‘Murder ballads’ uit 1996 is de laatste dagen niet uit mijn cd-speler weg te slaan en de songteksten werken zelfs zéér inspirerend om dat spelleke daar op Hertoginnedal zelf eens op 1-2-3 te gaan oplossen zie. Roen als formateur, ja dat zou nog wat zijn. Wie mij durft tegen te spreken, baf, een kogel of 4 door zijn verzuurde kop. Of, wàk, een verroeste botte bijl door z’n schedel. Over splitsingen gesproken. Er zou wel rap een regering zijn mè gedacht! Om maar te zeggen: het genre ‘murder ballads’ heeft me altijd wel gefascineerd. Johnny Cash was een Grootmeester in het vertolken van murder ballads en wellicht is het dé grootste reden waarom ik zo’n fan geworden ben van de man. Nochtans zijn murder ballads qua thematiek allemaal inwisselbaar: schedels worden ingeslaan dat het een lieve lust is, lichamen worden vakkundig gefilleerd met little pen-knives of iets grotere exemplaren, pistolen worden leeggepompt in het hoofd van willekeurige slachtoffers, maar de rode draad (hebt u hem?) door de meeste songs is: man lokt nietsvermoedende vrouw naar de rivier, waarna hij haar onverwacht de schedel inslaat en haar vervolgens in de rivier dumpt. Voor u denkt: "Ah zooo losten ze dus ‘in de goeien ouwen tijd’ echtelijke ruzies, vechtscheidingen en ongewenste zwangerschappen op!" Vergeet het maar; het ontbreken van een motief voor het begaan van een moord is nu net één van de hoofdkenmerken van het murder ballad genre. Je kan dus ook moeilijk beweren dat de daders psychopaten zijn, want ze kiezen hun slachtoffers impulsief en willekeurig uit. Als er al sprake is van een motief in Nick Cave z’n murder ballads gaat het van "all beauty must die" (uit ‘Where the wild roses grow’) of "all God’s children they all gotta die" (uit ‘The curse of Millhaven’). Het lag trouwens voor de hand dat ook Nick Cave ooit eens een hele cd aan het genre zou wijden en begin 1996 zag ‘Murder ballads’ eindelijk het – nouja – daglicht. De plaat was al maanden op voorhand een succes, omdat de vooruitgeschoven single, het duet ‘Where the wild roses grow’ met Kylie Minogue, zowaar een wereldhit geworden was. Voor het eerst werd dus ook het mainstream publiek geconfronteerd met de Opperkraai en diens liederlijke orkest The Bad Seeds. Een publiek dat hij meteen wegjoeg, want op ‘Murder ballads’ creëerde Cave het claustrofobische decor en bloeddoorlopen script voor een horrorfilm waarbij zelfs de slachthuizen van Anderlecht eerder op wellness klinieken gingen lijken. De huilende wind in de onbehaaglijke opener ‘Song of joy’ voorspelt al niet veel goeds, en jawel hoor: op het einde van de song liggen er al 4 lijken, waaronder 3 kinderlijkjes, weg te rotten in de kast. En zo gaat dat de hele plaat maar door. Moeilijk om één favoriete song uit het album te lichten; ze hebben allemaal wel iets… bloederigs vooral, maar als ik er dan toch één moét kiezen (vooral vanwege die kouwe geweerloop tegen m’n slaap) doe mij dan maar ‘Henry Lee’, het duivelse duet met PJ Harvey. Al was het maar dat die song er mij aan herinnert hoe jammer het wel niet is dat die song Cave er alsnog niet toe inspireerde een héle duettenplaat op te nemen met de Koningin van Onderland van de Rock. Misschien een ideetje voor een ‘Murder ballads II’?