Hemelpost

Beste Jean,

Het is ondertussen bijna een jaar geleden dat je op je drieënnegentigste stierf. Je had zo graag de kaap van de honderd gehaald maar dat heeft dus niet mogen zijn, helaas. Ik had het je nochtans van harte gegund. Op dinsdagnacht 26 januari omstreeks half twee riep je vanuit je bed mijn moeder om hulp en van zodra zij je slaapkamer binnenkwam, zag ze nog net hoe jij je laatste adem uitblies. Nog geen vijf minuten later belde ze me om me het slechte nieuws te melden. Ik was al in slaap gedommeld en dus nam ik slaapdronken de telefoon op. “Jean is vijf minuten geleden gestorven”, stamelde ze hortend en stotend tussen haar tranen door. Het bleef even stil aan deze kant van de lijn, want ik besefte nog niet goed wat ze me zonet verteld had, maar toen het eindelijk tot me doorgedrongen was, vroeg ik haar of ze dokter Tom al gebeld had, hetgeen ze bevestigend antwoordde. Op dat moment arriveerde je buurman / mantelzorger, die ze ook al had verwittigd en ze beëindigde ons telefoongesprek. Een uurtje later, het was dan al half 3, belde ze alweer terug om te zeggen dat dokter Tom je dood had vastgesteld. En zo was je vurigste wens in vervulling gegaan; sterven in je boerderij waar je bijna een eeuw geleden werd geboren. Bijna al die tijd heb je er je koeien, paarden en schapen verzorgd en ieder voorjaar bewerkte je de akker om vervolgens in het najaar te oogsten. Zo ging dat jaar in, jaar uit. Je vertelde me deze zomer nog dat je overgrootvader de boerderij rond 1850, samen met enkele makkers, eigenhandig gebouwd had. Sindsdien was er niet veel veranderd; het leek wel alsof de tijd er was blijven stilstaan. Het grootste comfort dat jij en je vrouwtje Agnes hadden, was stromend water. Zelfs de elektriciteit was hoogstwaarschijnlijk al bijna honderd jaar oud. Een badkamer hadden jullie niet, en er was slechts één wc die pal in het midden van één van de onverwarmde stallen stond en niet aan de riolering gekoppeld was. Op jouw erf kwam je middenin het decor van “Het gezin Van Paemel” terecht, maar dan in het echt. En toch leken jij en Agnes gelukkig te zijn met het weinige dat jullie hadden.

jean03

De nacht van je overlijden was er van slapen geen sprake meer. Ik groef en groef in mijn geheugen, maar ik kon maar niet achterhalen wanneer ik je voor het eerst heb gezien. Het moet in ieder geval ergens in het begin van 1991 geweest zijn. Mijn pa had even voordien, in de herfst van 1990, een nieuwe job gevonden bij een doodskistenfabrikant in Lot. Het is daar dat hij jou had leren kennen, want je ging daar enkele uren per week bijklussen, nadat je werk op je boerderij erop zat. Vanaf 1991 kwam je iedere eerste vrijdagavond van de maand bij ons thuis aardappelen leveren. Na enkele leveringen vroegen mijn ouders of je niet even wilde binnenkomen om een glas te drinken. Op den duur kwam je gewoon elke vrijdagavond bij ons op bezoek. Niet om iedere keer een zak van 25 kilo patatten te leveren, maar om enkele “bumen” koejonnen met mijn ouders te spelen, dat ouderwetse, eenvoudige kaartspel dat vermoedelijk een typisch kaartspel in onze regio is. In mijn jeugd zag ik ouderen altijd dat kaartspel spelen, zowel thuis als later bij mijn vriendin. Wist je dat “koejonnen” afgeleid is van “koejonneren” (= pesten), en ook van het franse “couilles” (= kloten), Jean? Ik vermoed van niet, want telkens wanneer je mijn pa een “couille” aangesmeerd had, bootste je smalend het geloei van een koe na. Ja, dat waren nogal eens hilarische kaartavonden in de vroege jaren ‘90 van de loeiende gitaren. Ettelijke “bumen” en enkele pinten later, het was dan al ruim een uur na middernacht, vertrok je terug huiswaarts naar je oude boerderijtje en je vrouwtje Agnes die ongetwijfeld al enkele uren lag te snurken. Soms, als er toevallig eens geen fuif in de buurt was op vrijdagavond, speelden Natascha en ik enkele “bumen” mee en dat vond je altijd heel gezellig.

Ik zag je dus voor het eerst op mijn zeventiende en je was in mijn ogen toen al, op je drieënzestigste, een oude man. Je diepgegroefde gelaat verraadde toen al dat je al een hard leven achter de rug had. Je hinkte bovendien en ik zag aan je gelaatsuitdrukking dat stappen een pijnlijke activiteit was. Jarenlang heb ik me afgevraagd wat er met je been was gebeurd. Het is pas enkele jaren geleden dat je me vertelde dat je ooit een stamp van één van je paarden had gekregen. Ten gevolge van het helse lawaai van het nieuwjaarsvuurwerk in de buurt was het arme dier in de stallen op hol geslagen van de angst. Toen je je paard wilde kalmeren, kreeg je zijn been voluit tegen jouw been. Ternauwernood kroop je schreeuwend van de pijn de stal uit. Je zus en je vrouw droegen je naar binnen en verzorgden de wonde. Zoals altijd in zulke gevallen weigerde je immers om naar de dokter, laat staan naar het ziekenhuis te gaan. “Ik naar het ziekenhuis? Om mijn been te laten amputeren zeker, nee bedankt! Ik vertrouw liever op God dan op chirurgen!” Ik kende je als een lieve, zachtaardige man, maar als de woorden “ziekenhuis” of “dokters” vielen, werd je opstandig. Vele jaren later begreep ik dat je gewoon bang was om je te laten behandelen voor om het even wat. Zo ben je in je hele leven slechts één keer naar de tandarts geweest, en dat was pas een jaar of tien geleden op aandringen van je huisdokter Tom. Achteraf heb je dokter Tom naar de maan verwenst omdat je vond dat de tandarts je nog meer tandpijn had bezorgd.

Toen mijn pa in september 1996 na alweer een stommiteit voor de zoveelste keer in zijn leven ontslagen werd, ontfermden jij en Agnes zich over mijn ouders. Door die financiële opdoffer in ons gezin kon ik mijn studies niet voortzetten, maar jij en Agnes zorgden er wél voor dat wij thuis niets te kort kwamen. Agnes woonde op den duur zowat bij ons thuis in en hielp mijn moeder, die toen nog uit werken ging, met het huishouden. En terwijl jij met je verhakkelde been dapper op je akker voort ploeterde, zat mijn pa ondertussen thuis zijn kas op te vreten en zichzelf te beklagen. Als jij en Agnes ‘s avonds laat dan terug naar huis vertrokken, werkte mijn pa zijn frustraties uit op mij. Ik hield het bijgevolg thuis niet meer vol, en even later, op 1 maart 1997, verliet ik het ouderlijke huis in Halle voorgoed om met Natascha in Leuven te gaan samenwonen. Vanaf dan zag ik je niet veel meer, maar ik hoorde de verhalen van mijn moeder. Jij en Agnes trakteerden mijn ouders op allerlei uitjes. Het ene weekend gingen jullie met hen naar Duitsland, het andere naar de Ardennen of Nederland. En in de zomer van 1998 trakteerden jullie hen zelfs op een georganiseerde busreis naar Lloret de Mar! Niet dat mijn pa jullie daarvoor dankbaar was, integendeel. In de hotelkamer vervloekte hij jullie, omdat hij het er veel te heet vond en omdat “dat varkensvoer” er niet te vreten was. Wat voor mijn moeder een droomreis had moeten zijn – het was de eerste keer in haar leven dat ze op reis was – werd voor haar “dankzij” mijn pa alweer een trieste calvarietocht. Overdag probeerde zij er het beste van te maken en met volle teugen te genieten, maar ‘s avonds in de hotelkamer werd haar plezier aan flarden gebruld.

En brullen kon hij als de beste, mijn pa. Daar kon jij over meespreken, is het niet Jean? Om zijn “dank” te betuigen voor wat Agnes en jij al die jaren gedaan hadden, gooide mijn pa je op een herfstavond in 1999 vloekend en tierend buiten. Letterlijk. Toevallig kwamen Natascha en ik die avond op bezoek toen jij en mijn ouders in de achterkamer al aan het kaarten waren. Terwijl wij dan maar televisie keken, voelde ik de hele tijd die typische ouderwetse dreiging die in de lucht hing. Naarmate mijn pa zijn bitsige commentaren luidruchtiger en agressiever werden, voelde ik instinctief aan dat de bom elk moment kon ontploffen, Wat was er nu toch weer gebeurd dat hij weer zo agressief klonk, vroeg ik me af. Had men hem weer onder zijn voeten gegeven op het recyclagepark van Halle waar hij sinds enkele maanden werkte? Of had hij weer teveel gezopen? En ja hoor, even later barstte de bom in alle hevigheid en zagen Natascha en ik hoe mijn pa je vloekend en tierend bij je kraag had gegrepen en met jou in een razendsnel tempo door het huis richting de voordeur liep om je vervolgens op straat te flikkeren. En dat met je pijnlijke, gehavende been. Nog een geluk dat er op dat moment geen auto passeerde. Man, wat moet je toen afgezien hebben… Mijn moeder en Natascha stonden als aan de grond genageld, maar ik had het al lang zien aankomen en wist dus hoe laat het was: tijd om de eer aan mezelf te houden en te vertrekken naar veiligere oorden, goed beseffend dat mijn moeder het alweer hard te verduren zou krijgen.

De jaren gingen voorbij en ik hoorde niets meer van jou. Mijn moeder gooide in de zomer van 2005 mijn pa eindelijk buiten, nadat hij haar al jaren bedrogen had met An en alleman. Zij was aanvankelijk blind voor zijn bedrog, en het was pas nadat ik onweerlegbaar en sluitend bewijs verzameld had dat haar ogen eindelijk open gingen. Na een rouwproces van meer dan een jaar besloot ze om jou en Agnes terug te contacteren, al was het maar om zich te excuseren voor het wangedrag van mijn pa jegens Agnes en jou. Je vertelde haar dat Agnes even voordien gediagnosticeerd was met kanker en bedlegerig geworden was. Mijn moeder besefte meteen dat ze eindelijk iets kon terugdoen voor jullie en besloot om jullie geheel belangeloos te komen helpen. Bijna dagelijks deed zij bij jullie de was, de strijk, het poetswerk en maakte ze het eten klaar, terwijl ze tussendoor ook voor Agnes zorgde. Agnes zou uiteindelijk sterven in 2010. Op haar sterfbed vroeg ze aan mijn moeder om goed voor jou te blijven zorgen, opdat je niet in een rusthuis zou belanden. Jij wilde immers koste wat het kost sterven in je boerderij, op de plaats waar je geboren was. En zo geschiedde. Mijn moeder ging aanvankelijk enkele keren per week bij jou om het huishouden te doen, maar eind 2014 ging het plots steil bergaf met jouw gezondheid. Je werd permanent hulpbehoevend, maar weigerde om naar het ziekenhuis, laat staan naar een rusthuis te gaan. “Ik val nog liever dood en als ge mij komt halen, steek ik je aan mijn riek! En maak nu maar dat ge van mijn erf zijt!!”, riep je je huisdokter Tom steeds toe als die nog maar het woord “rusthuis” in jouw bijzijn in de mond durfde te nemen. En dus ontfermde mijn moeder zich vanaf november 2014 zowat voltijds en geheel belangeloos over jou. Overdag reden jullie samen naar de kleine studio van mijn moeder zodat jij daar de hele dag op Studio 100 kon genieten van de avonturen van kabouter Plop, Samson & Gert, Amika en je vriendinnetjes van K3 en ’s avonds reden jullie terug naar jouw vervallen boerderijtje. Zo ging dat dag in, dag uit; jaar in, jaar uit. Tot in maart 2020 het vreselijke coronamonster als een niets ontziende barbaar over het Belgische grondgebied begon te razen. Sindsdien verbleven mijn moeder en jij bijna voltijds op de boerderij, omdat jullie ontzettend bang waren om besmet te raken. Enkel de kinesiste en dokter Tom kwamen nog langs. Mijn vrouw en ik brachten iedere zaterdag jullie boodschappen voor de hele week en vanaf oktober 2020 bakte mijn moeder iedere zaterdag pannenkoeken voor ons. Daar stond je immers op. Jij vond het immers ontzettend gezellig om iedere week samen met ons van een lekkere stapel pannenkoeken te genieten.

jean04

Ach, wat mis ik die dagen, beste Jean. De gammele achterdeur van je eeuwenoude boerderijtje had immers iets van een tijdmachine. Van zodra ik die deur openduwde en het bescheiden keukentje binnenkwam, werd ik meteen verwelkomd door de gezellige warmte van je gietijzeren steenkoolkachel en de heerlijke geuren van de soep, het stoofvlees of de rode kool die zachtjes op de kachel stonden te pruttelen. Ik waande me meteen in een interieur van de jaren ‘50 van de vorige eeuw. Het keukentje bestond uit niet meer dan een klein, versleten gasfornuis, twee enorme antieke, vermolmde keukenkasten, een kleine houten tafel, vier oude verweerde keukenstoelen en een moderne ijskast. Die ijskast, je kleine televisietoestel en je mini stereoketen waren de enige attributen die me ervan overtuigden dat ik wel degelijk niét teruggeflitst was naar 1950. Door de lage deuropening kwam ik vervolgens in je kleine woonplaats terecht. Nooit vergeet ik de vervaarlijk voorovergebogen houten fotolijst met een foto van je nonkel-pater Charel die bijna 100 jaar geleden missionaris was in de Congo. Telkens wanneer ik te lang naar dat portret keek, zou ik gezworen hebben dat nonkel-pater Charel me op den duur begon aan te staren met zijn priemende ogen en zijn strenge, starre blik. Verder keek ik ook altijd gebiologeerd naar de talrijke vergeelde foto’s aan de muren van je reeds lang overleden familieleden. Je meubeltjes waren wellicht modern in de jaren ‘50 en stonden vol religieuze beeldjes en souvenirs die jij en Agnes gekocht hadden tijdens jullie reizen naar Lourdes. Op je tv kon je enkel de kanalen van de VRT ontvangen. Nog een geluk, want nu je niet meer de hele godganse dag bij mijn moeder naar Studio 100 kon kijken, had je tenminste nog Ketnet om je te ontspannen. Terwijl we met z’n allen genoten van de heerlijke pannenkoeken die mijn moeder had gebakken, smulde ik ook van je verhalen uit je verre verleden. De ene keer vertelde je grappige anekdotes uit de boerenstiel, de andere keer grimmige verhalen uit den oorlog. Je aangrijpendste oorlogsverhaal zal ik nooit vergeten. Zo vertelde je dat jullie op ‘n keer met het hele gezin uit jullie boerderij werden gejaagd door Engelse soldaten die er zich een tijdje wilden verschansen. Met paard en kar sloegen jullie op de vlucht naar Ellezelles, waar familie van je vader woonde. Toen jullie Ellezelles bereikten, vluchtten tientallen verzetsleden het nabijgelegen bos in en ze maanden jullie aan om hen te volgen. Jouw vader sloeg die “goede raad” in de wind en gelukkig maar, want een half uur later dropten de Duitsers de ene bom na de andere in dat bos. Je vader kreeg een ijzeren scherf dwars door zijn rug en was voor de rest van zijn korte leven getekend. Omdat het in Ellezelles nog gevaarlijker was dan in Sint-Pieters-Leeuw en omdat vader zwaargewond was, besloten jullie dan maar om rechtsomkeer te maken. Onderweg merkten jullie dat de Engelsen al jullie spullen – keukengerei, kleding, linnengoed,… – tijdens hun vlucht voor de Duitsers in de Zuunbeek hadden gegooid. Je mama huilde bij het aanschouwen van de ravage en daar stopte je verhaal, want toen werd het je teveel en biggelden de tranen over je wangen. Je was 13 toen in 1940 de oorlog uitbrak en 18 toen hij in 1945 eindigde. Wat de mooiste periode van je leven had moeten worden, werd een hel en alle gruwelijke gebeurtenissen waarvan je getuige was, werden trauma’s voor de rest van je leven. Mijn moeder vertelde me dikwijls dat je vooral tijdens winteravonden terugdacht aan anekdotes uit de oorlog en dat het dan op den duur leek alsof je ze herbeleefde. En dan zitten wij, verwende kindjes van na den oorlog, te klagen en te zagen over akkefietjes als noodzakelijke maatregelen die moeten getroffen worden om de zwakkeren en ouderen te beschermen tijdens een pandemie. Het land telt inmiddels bijna 30000 coronadoden, maar niemand die daar nog stil bij staat. Iedereen schreeuwt nu immers voortdurend om aandacht voor zijn getroffen sector, terwijl het coronavirus nog steeds dagelijks tientallen executies uitvoert.

Als ik al iets van jou geleerd heb, lieve Jean, dan is het dat ik niet hoef te klagen bij de minste tegenslag. Want, en daar waarschuwde je ons zeker tijdens de laatste maanden van je leven nog genoeg voor, er staan ons nog bittere tijden te wachten. Jij was er immers van overtuigd dat deze pandemie uiteindelijk zal leiden tot een nieuwe wereldoorlog. Nochtans had je in je oude, schamele boerderij geen toegang tot het internet en bijgevolg dus ook niet tot de duizenden complottheorieën die er de ronde doen. Een wappie was je zeker niet. We zullen zien of je gelijk krijgt, maar voorlopig staan we er niet goed voor: de nieuwe Amerikaanse president Biden spreekt oorlogstaal tegen de Chinezen én de Russen, terwijl de Russen op hun beurt hun troepen alvast klaarstomen aan de grens met Oekraïne. Maar eigenlijk hoeven we het zover niet te zoeken. Ook in eigen land zijn de gemoederen oververhit geraakt. Iedereen haat elkaar, maar vooral de politici zijn kop van Jut. De vraag is niet langer meer of er hier weldra een politicus zal gelyncht worden, maar wanneer. De gevolgen bij de volgende verkiezingen laten zich al raden: het door jou zo vervloekte en gevreesde Vlaams Belang dreigt alles en iedereen te verpletteren in 2024. Gelukkig hoef jij die machtsgreep alvast niet meer mee te maken. Het wordt in ieder geval hoogdringend tijd dat ik een vluchtplan bedenk, want voor dat gebroed van de collaboratie zal ik nooit of te nimmer buigen. Dat heb ik immers wijlen mijn peter beloofd.

chris eckman

Sinds je dood is er in ieder geval al heel wat gebeurd. Mijn moeder kon je dood maar niet verwerken en belandde zelfs een tijdje op de afdeling psychiatrie van het ziekenhuis. Ondertussen gaat het gelukkig beter met haar. Ze raakte deze zomer in haar wijk bevriend met een iets oudere buurvrouw en sindsdien komen ze iedere avond bij elkaar langs om te scrabbelen of te kaarten. Maar je merkt toch dat ze ten gevolge van je overlijden een enorme klap gekregen heeft en dat ze plots tien jaar ouder lijkt. Onlangs vernam ze van je mantelzorger dat het plafond in je keukentje naar beneden gedonderd is. Alles ligt er nu bedolven onder het eeuwenoude stof. Alsof dat allemaal nog niet genoeg is, doet een van je drie erfgenamen moeilijk over de erfenis. Ik vermoed dat zij gedacht had dat zij alleen in je testament zou staan en nu doet ze er alles aan om je laatste wens niet te respecteren. Ze zou zich diep moeten schamen, temeer omdat ze na de dood van haar vader – jouw beste vriend – tien jaar geleden nauwelijks nog op bezoek kwam bij jou. Op het einde van je leven wilde je haar nog uit je testament schrappen nadat ze je op Nieuwjaarsdag enorm vernederd had, maar je had er de energie niet meer voor. Maar ach, met dergelijke aardse beslommeringen hoef ik jou eigenlijk niet meer lastig te vallen. Jij hebt immers je eeuwige rust méér dan verdiend. Ik hoop dan ook van harte dat jij nu op die hemelse plaats bent waar de goede zielen rusten. Zelf denk ik nog vaak aan jou telkens wanneer ik de wondermooie, troostrijke plaat ‘Where the spirit rests’ van Chris Eckman beluister. Eckman, een Amerikaanse zanger en liedjesbrouwer en vooral bekend van zijn legendarische band The Walkabouts, die jaren geleden naar Slovenië verkaste, maakte de plaat tijdens de Sloveense lockdown samen met zijn vriend en producer Alastair McNeill in diens kasteel in Ljubljana. Later voegden nog een rist bevriende muzikanten vanop afstand hun sfeervolle bijdragen toe. Wat mij betreft is het samen met ‘No wilderness deep enough’ van Steve Von Till de pakkendste soundtrack bij deze grimmige tijden van isolement, onzekerheid en angst die ik hoorde. Het is daarom de enige nieuwe plaat die er écht toe deed dit jaar voor mij en hoewel jij liever de vrolijke liedjes van K3 en de hits van de top 30 beluisterde, draag ik ‘Where the spirit rests’ graag op aan jou, beste Jean. Hopelijk kan je er hierboven naar luisteren onder het genot van een heerlijke stapel pannenkoeken met bruine suiker.

Tot ooit, aan de overkant…
Liefs, Roen.